Tebek yn ‘e tiid deel 37

Vervolg Achterom 4.
Regnerus en Janke Hoekstra-Mollema hadden dus hun schildersbedrijf op de hoek Achterom - Terppaed.
Er waren In onze dorpen nog minsten drie andere schildersbedrijven.
De tijd waar ik nu over schrijf is plm. Tussen 1943 en 1953.
De afschijding van hun “smûke”achtertuin met het Terppaed, bestond uit een houten schutting met een deur.
Tegen de afscheiding met Terppaed 5, waar Thomas en Aaltje Sippens toen woonden, was nog een hok, waar ook de "swarte branje" een plaats had.
Aan de binnenkant van het ,,skut" onder een afdakje, hingen de schildersladders.
En op de plaats waar het ,,skut' tegen de schilderswerkplaats was bevestigd, had Regaerus zijn pishoekje.
Bij ons thuis vandaan kon je altijd mooi zien wanneer hij daar stond.
Boven de schutting uit leek het een soort borstbeeld.
Meestal met hoed, maar ook wel eens zonder.
Ik begreep toen nooit waarom hij daar altijd zolang stond, want als wij als jongens, van de bewaarschool, bij "dûmny syn skut" op pisten, was dat voor ons maar een fluitje van een cent.
Verder hadden de Hoekrtra’s tegen de gemeentewerkplaats een kippenhok met een trio krielkippen, ze hadden veren aan de poten.
Nu weet ik dat het Roodporselein Sabelpootkrielen waren.
Een paar meter van het huis stond een grote perenboom, waar in de herfst dikke bonkige vruchten aan zaten.
Bij ons thuis noemden we die 'Janke- parren".
Een regenwaterbak en een pomp op de "saad" zorgden voor de watervoorziening.
Een grote zilverspar bijna tegen de grens met Thomas- Aaltje, maakte voor ons het geheel tot een sprookje, want ook bessenstruiken en buxushaagjes ontbraken niet.
In de wintermaanden zat in de spar vlak tegen de stam altijd een ransuil.
Als je er langs liep, volgde hij je met zijn grote ronde ogen.
De kinderen uit de Buorren, die naar de Gereformeerde school aan de R. Westrastrjitte gingen, liepen bij tientallen over het Achterom en het Terppaed, want het Fliet was er pas na 1950.
Eén keer zaten er op een morgen meer dan 10 van die grote uilen in de spar. 'Waarom? Ik weet het niet.
Siebe Hoekstra zou zeggen: "Dat is een speling der natuur".
De volgende dag waren ze allemaal weg.
Waarschijnlijk hebben ze hun broedplaatsen allemaal weer opgezocht.
Janke was altijd bezorgd om de uil, vanwege stenengooiende jeugd.
Regnerus Hoekstra overleed in 1950.
Zoon Siebe, die al vanaf 1931 in Pietersbierum woonde, had het schildersbedrijf al overgenomen.
In de schilderswinkel op het Achterom waar altijd 6 dagen was gearbeid, was nu alleen op de 7e dag nog activiteit.
De kerkdiensten van de na 1944 afgescheiden gereformeerden vonden er plaats.
In de volksmond Art.3 1 genoemd.
De klompenhandel bleef eerst nog wel op zolder.
De fam. Hoekstra had zich ook bij deze kerk aangesloten en stond zondagsmorgens hun voorkamer af, zodat die gebruikt kon worden als consistorie.
De dag dat buurwouw Janke overleed, weet ik nog heel goed.
Het was in augustus 1956.
We waren toen aan het werk bij fam. Gerke Hofstra aan het eind van de Swarte Leane.
Daar waren de vorige nacht, tijdens windstil weer, alle pannen met latten en al als een lawine van het oude vooreind geschoven, doordat alle spijkers finaal doorgeroest waren.
Daar moest dus nieuw dakbeschot op.
Toen we om 12 uur thuis kwamen om te eten, was er allemaal drukte op het Achterom.
Thom Kuurstra die na schooltijd nog even voor "beppe" Janke naar de Spar zou om een boodschap te doen, kon geen gehoor krijgen en keek tenslotte maar eens door de briefopening.
Daar zag hij tot zijn schrik "beppe" Ievenloos liggen.
Zo kwam er een eind aan de bijna 100-jarige bewoning van de Mollema's en Hoekstra's in dit pand.
Mijn eerste negen levensjaren was de wereld om me heen niet zo groot.
Ook al omdat de tweede Wereldoorlog bijna tot mijn 7e jaar geduurd heeft.
Zo was het bevrijdingsfeest met zijn optocht een heel gebeuren.
Ik zag o.a. dat er bij Regnerus en Janke tijdens de optocht een paar nieuwe klompen "gestolen" werden.
Er reed in de optocht namelijk een "spulwein*" mee.
De woonwagen van de zigeuners was bemand met jonge mensen uit de dorpen die pikzwart haar hadden.
Volgens mij o.a. Jan van Wybren en Namkje Bouwma uit Pietersbierum, de tweede zoon, Folkert van Cees en Djoke Boutsma van het Molepaed en mijn nicht, Froukje v/d Brug, maar er waren meer.
Voor de wagen 2 hynders en er onder natuurlijk een hoenderhok met kakelende kippen.
Zo nu en dan werd de pispot met geel vocht en roggebrood over het publiek leeggegoten.
Het "stelen" van de goor uitziende bemanning was natuurlijk doorgestoken kaart.
Na Janke kwamen er tot nu toe nog 7 keer andere bewoners; die we wat minder uitgebreid zullen beschrijven. Tot dan.

*Spulwein.
Het Fryske woord voor circus is " hynstespul".
De artiesten trokken rond in woonwagens, die in die tíjd vaak "spulweinen" werden genoemd.

Harm Zaagsma .